home | stats | gelinkt door | beheer | maak je eigen weblog aan! | 5 EURO bij aanmelding. 1 EURO per 2 vrienden. X EURO per bericht. punt.nl

 

index 100 schrijvers
Boek | nieuws | 14 Juni 2006 | 19:47:19
1 : 2  3  4 :
bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer

5 EURO bij aanmelding. 1 EURO per 2 vrienden. X EURO per bericht.

deel 4 - guru - 4/100 schrijvers
Boek | boek | 14 Juli 2006 | 15:49:49
De schemer begon al in te vallen toen ik me realiseerde dat ik maar wat doelloos voor me uit zat te staren op het bankje in het park. De skaters en spelende kinderen waren vervangen door een groepje jongens van een jaar of 17, die heel druk tegen elkaar aan het praten waren en hun standpunten wilden verduidelijken door gearticuleerd met hun armen te zwaaien.
 
Het was vrijdag en bij gebrek aan enig sociaal leven was de vrijdagavond gereserveerd voor mijn burgerlijke plicht. Dat wil zeggen, dat ik op vrijdagavond enigszins dwangmatig de sporen van mijn bestaan grondig ging uitwissen. Tijd om op te stappen. Terwijl ik huiswaarts keerde maakte ik een lijstje in mijn hoofd.
 
 
- De vaat wassen,
- post sorteren,
- kastjes afstoffen,
- stofzuigen,
- de was sorteren,
- niet vergeten de kleren op de stoel naast het bed in de was te doen,
- de kattenbak verschonen,
- vuilniszak wisselen,
- boodschappenlijstje maken voor morgen.
 
Het was negen uur ofzo, toen ik de voordeur voorzichtig open deed.
Voorzichtig omdat ik niet wilde dat Theezakje haar avond met haar harige soortgenoten verkoos boven mijn gezelschap.
Mijn blauwe All Star ging eerst naar binnen en duwde denkbeeldig de kat weg waarvan hij vermoedde dat die zich schuilhield om het hazenpad te kiezen.
“Kssst”, zei ik erbij.
Theezakje zat er inderdaad.
Naast een hoopje uitgekotste kattenbrokjes, die hij als een precisie bombardement op mijn post had doen neerkomen.
“Kutkat”, siste ik, en pakte het stapeltje post zo voorzichtig mogelijk op, zodat het bruine hoopje derrie bleef balanceren op de envelop van de Postbank. In de keuken probeerde ik boven de prullenbak de envolop van zijn inhoud te ontdoen, waarbij ik niet kon voorkomen dat het nog warme natte goedje mijn vingers bevuilde.
 
Ik vloekte.
Theezakje gaf kopjes en slijmde zich suf, maar het hielp even niet.
Mijn humeur op deze huishoudavond was voorgoed verpest.
 
 
Ik veegde mijn handen af aan het dweiltje dat onder een stapeltje vuile borden uitstak. Op het bovenste bord herkende ik in de opgedroogde resten, een maaltje Chili Con Carne van twee dagen geleden. Of nee, drie.
 
Op de vloer voor het aanrecht stond een kommetje op een placemat.
Uit de koelkast haalde ik een open blikje kattenvoer en met de vork die er nog in stond prakte ik er wat van de overheerlijke tonijnpaté in. Theezakje begon onmiddellijk te smakken. De idioot had de onsmakelijke gewoonte om een brokje eerst op de vloer te laten vallen om het vervolgens uit elkaar te pluizen. Vandaar de placemat.
 
 
“Kom, kutbeest”, mompelde ik, “aan de slag”.
 
 
 
 
*
 
 
Het eerste dat ik zag toen ik op mijn werk kwam die maandag, was de kont van een jongen, die onder mijn bureau uitstak. Verbaasd bestudeerde ik het geval en ik kon het niet helpen om naar de spleet te staren, die mijn vader altijd ‘bouwvakkerdecolleté’ noemde.
Mijn vader was een wijs man.
Niet vanwege die bilspleet.
Nee, mijn vader had van die gevleugelde uitspraken.
‘De levenswijsheden van Pa’, noemde ik ze.
Ik zou ze eens moeten bundelen.
Jammer dat ik me pas realiseerde wat hij voor me betekende toen hij al dood was.
 
 
“Heej”, klonk het dof vanonder mijn bureau.
De jongen keek me aan en probeerde een beweging te maken die ik opvatte als een groet. Als tegengebaar stak ik vanuit de heup ook een paar vingers in de lucht en zei ook “heej”.
 
 
“Koffie dan maar?”, zei ik tegen de kont.
 
 
“Ben zo klaar”, klonk het.
 
 
Ik nam aan dat dat een nee was en besloot alleen even voor mezelf te halen. Toen ik terugkwam stond er een jongen naast mijn bureau. Het was die jongen die vorige week mijn computer had opgehaald. Het was de eigenaar van de kont, zag ik.
 
 
“Ja, uh…”, stamelde hij. Zijn armen zwaaiden slungelig langszij. “We hebben je een nieuwe PC gegeven, want die andere was niet meer te herstellen. Dus…”
 
 
De ‘s’ van ‘dus’ sprak hij uit als een langgerekte ‘z’. “Dus?”, dacht ik. Dus gebruik je in een conclusie die je kunt trekken nadat je twee stellingen met elkaar vergelijkt. Van water wordt je nat. Het regent nu. Dus als je buiten loopt wordt je nat. Zoiets.
 
 
“Dus?”, vroeg ik.
 
 
“Nou ja, succes ermee”, zei hij.
 
 
Kont was niet erg welbespraakt.
 
 
“En die andere?”, vroeg ik. “Daar stonden hele belangrijke bestanden op.” Ik zorgde ervoor dat ik de woorden 'hele belangrijke' met de nodige nadruk uitsprak.
 
 
“En die heb je niet gebackupt”. Dat was geen vraag van hem, dat was een verwijt. Een goedkoop verwijt. Natuurlijk had ik geen back up, dat wist hij verdomd goed.
 
 
“Nee, geen back up”.
 
 
We kwamen met elkaar overeen dat ik mijn computer mee naar huis zou nemen. Ik dacht dat Maarten me wel zou kunnen helpen om nog wat te recoveren. Maarten was goed met dat soort dingen.
 
 
 
 
*
 
 
 
 
Een hard geblaf klonk door de deur. En de stem van Maarten: “Feij-juh-noord”. Ik heb me altijd verbaasd over die naam. Gelukkig is Maarten een jongen die met zijn postuur respect afwingt, want elke keer als hij zijn hond roept in de straat hier in de Transvaalbuurt in Den Haag, vrees ik voor zijn leven. Maarten opende de deur en zowel hij als Feijenoord sprongen van blijdschap tegen me aan. Bijna liet ik de computer vallen.
 
 
 
 
Nog in de hal wilde ik uitleggen wat er loos was, maar daarvan wilde Maarten niets weten. “Eerst bier” was het devies. En aldus geschiedde. Ik geloof dat we drie flesjes Heineken verder waren, toen ik hem vertelde wat de bedoeling was.
 
 
“Ik ben dus op zoek naar een dood meisje”, begon ik een onsamenhangend betoog. “En ik denk dat ze daar misschien inzit.” Ik wees op de grijze doos die ooit mijn computer was.
 
 
“Joh?”, zei Maarten.
 
 
“Nou kijk”, vervolgde ik en ik taste in mijn broekzak. Ik strekte mijn benen en mijn billen verlieten het zitvlak van de stoel om mijn hand meer ruimte te geven. Het enige dat ik voelde was een hard propje, dat in geen geval leek op het papiertje dat ik zocht. Een schok ging door me heen toen ik me realiseerde wat er gebeurde. De was. Ik had mijn broek gewassen. Een lichte paniek maakte zich van mij meester.
 
 
“Oh, kut”, stamelde ik en ik voelde hoe ik rood werd. “Kut, kut kut.”
 
 
“Wat is er?”, vroeg Maarten.
 
 
“Nou dit”, zei ik en ik toonde hem het propje. Voorzichtig probeerde ik het gewassen ding uit elkaar te vouwen, maar het brak in tweeën.
 
 
“Gewist”, zei ik bedroefd.
 
 
bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer


deel 3 - ikhelpje, 3/100 schrijvers
Boek | boek | 22 Juni 2006 | 18:24:08
HS lag er grauw bij ondanks de felle zon.
Het was wellicht mijn gemoedstoestand die de grauwheid veroorzaakte.
Reizigers keken glazig voor zich uit alsof ze er niet waren. Die afwezige blikken versterkte het nare gevoel in mijn maag.
 
Ook in de tram keek iedereen voor zich uit.
Ik had het gevoel dat ik iets moest doen om dit te doorbreken en dus pakte ik een pocket uit mijn jaszak. "De draaier van de toekomst" was de titel.
Ik bladerde verstrooit wat door het boek. Het had al een week vers in mijn jas gezeten maar mijn hoofd had niet naar lezen gestaan.
 
De tram tingelde vrolijk door de straten.
"Mag ik hier komen zitten" vroeg iemand plotseling.
Naast me stond een grote zware negerin, die ondanks haar zeer grote formaat er prachtig uit zag.
"Natuurlijk" zei ik.
Ik schoof mijn tas op zij en ze nam plaats.
Er parelde wat zweet op haar voorhoofd.
 
"Warm hè" zei ze lachend. Ik knikte glimlachend terug.
"Ben net met mijn dochter naar de zee geweest" zei ze. "Het is ook zulk lekker weer"
"Ik kom van een begraafplaats" zei ik droog. Het flapte eruit voor ik er erg in had.
De vrouw keek me echter vrolijk aan. "een zomerse ziel maakt blij" zei ze. Daarna keek ze me vriendelijk maar doordringend recht in de ogen. Ik was overweldigd door dit plotselinge contact.
 
"Toch niemand recent verloren hoop ik?"
"Nee eh ja eh nee"
Ze lachte. "Wat is het nou, ja of nee?"
"Nou, het zit zo" zei ik. Ik haalde het papiertje tevoorschijn en liet het zien.
"Dit heb ik ooit genoteerd en nu weet ik niet meer wie of wat ik er mee bedoelde."
"Aha" zei ze. Ze bekeek aandachtig het papiertje.
"Ik kan wel eens kijken wat ik erbij voel"
"Hoezo, wat u er bij voelt?"
"Ik voel soms wel eens dingen bij voorwerpen."
 
Nu heb ik zelf niet zoveel ,met het occulte, maar ik vond dat het geen kwaad kon en gaf haar het papiertje.
 
Ze begroef het in haar hand en staarde naar buiten. De tram reed langs CS. Ik moest er eigenlijk uit, maar ik liet haar begaan. Op haar gezicht bleef een lichte glimlach aanwezig. Toen draaide ze zich weer naar mij toe.
"Er zijn twee dingen" zei ze. Ze gaf het propje terug.
 
"Er is een vraag die je jezelf moet stellen en dat is wat de dood voor jou betekend. Ik voel namelijk heel veel leven in dit stukje papier. Het andere wat ik voel is iets wat denk ik met jouw moeder te maken heeft."
"Met mijn moeder?" zei ik verbaasd.
"Ja" zei ze stellig.
"Mijn moeder" mompelde ik.
"Mijn halte" zei zij.
"Ik moet er uit."
De tram stopte bij de Korte voorhout.
"Nog een prettige dag"
Ik knikte vriendelijk.
"U ook".
 
Ze stond op, en zo vlug als ze gekomen was, was ze weer verdwenen.
Wat later stapte ik uit. Ik dacht aan mijn moeder ondanks dat ik dit stom van mezelf vond. Had ik me laten verleiden door zo’n zweverig type. Ik moest er ook wel weer om lachen. Dat moest juist mij weer overkomen.
Maar mijn moeder liet me nu even niet los. Het was alweer een tijd geleden dat ik haar gezien had. De laatste keer was in december geweest. Een hoopvol feestmaal waar wederom werd bevestigd dat we zo weinig met elkaar hadden. Soms voelde ik me wel eens schuldig, dat ik zo weinig aandacht aan haar schonk, maar op de een of andere manier pakte ik dan toch niet de telefoon op. Zo ging het al tijden en ik had er redelijke vrede mee.
Ik liep een beetje doelloos door de stad. "Uitverkoop" schreeuwde de winkels, maar zij konden mijn oren niet beroeren. Ik stopte het boekje weer terug in mijn zak en kwam daar de goudengidspagina tegen. Het was een beetje uitgelopen door het zweet van mijn handen. Mijn moeder had inmiddels geruisloos mijn gedachten verlaten. Wat zou ik nu gaan doen? De tweede begraafplaats lonkte maar aan de dood wilde ik niet denken.
 
Ik besloot om wat te gaan wandelen omdat ik nog niet toe was aan een beslissing. Ik wilde niet meer door de stad gaan, daar was het nu te druk. Het park lag er groen en fris bij en wat skaters brachten net genoeg actie om het niet al te duf te doen lijken. Ik had een gek gevoel. Het was net alsof ik een beetje verdoofd was. Ja, net alsof ik na twee glazen bier had gedronken op een nuchtere maag. Mijn hoofd was licht. De bomen zuchtte wat door de wind en mijn gedachtes waren wederom nergens.
bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer


deel 2 - ralph mens, 2/100 schrijvers
Boek | boek | 14 Juni 2006 | 19:44:29
We mogen de doden wel dankbaar zijn, bedacht ik.
Begraafplaatsen zijn nog de enige stiltegebieden in Nederland.
Op deze doordeweekse dag was het nog doodser op de dodenakker dan in het weekend. Ik was zielsalleen op begraafplaats Beukenroode.
 
Het grind knisperde onder de zolen van mijn schoenen, een sensatie die een heel apart gevoel in mij teweeg bracht, maar ik kon me niet herinneren waar dat gevoel bij hoorde. Mijn geheugen bleek deze dagen wel meer te haperen, dood meisje.
 
Beukenroode was niet de eerste de beste begraafplaats. Hier geen ordinaire grafstenen, maar mausoleumachtige bouwwerken, engelen van steen die hun geluidloze loftrompet ten hemel richtten, rijk versierd met ornamenten. Zelfs in het hiernamaals hadden de rijken een streepje voor op de rest van ons stervelingen.
 
Ik moest opeens aan Boudewijn Buch denken.
Niet dat hij hier begraven lag -volgens mij is hij gecremeerd- maar vanwege de nabijheid van Wassenaar en de geur van oud geld. Dat milieu dat hij zó verfoeide, dat hij al misselijk werd bij het zien van het plaatsnaambord van Wassenaar. Hij schreef er een boek over, een soort 'Terug naar Oegstgeest', maar dan over Wassenaar.
'Weerzin' dacht ik dat het heette.
Maar ook dat was niet de reden waarom ik aan Boudewijn Buch dacht. 
Wat me te binnen schoot was dat hij een boek schreef met de titel 'De kleine blonde dood', een roman over zijn zoon die op jonge leeftijd overleed. Maar na Buch's dood bleek dat hij helemaal nooit een zoontje heeft gehad.

Ik vroeg me af of hem hetzelfde is overkomen als mij, dat hij op een dag een propje papier op zijn bureau vond, het openvouwde en de woorden las: 'De kleine blonde dood'.
Vervolgens gingen de woorden een eigen leven leiden, werden gedachtes, en de gedachtes leidden tot herinneringen aan iets dat helemaal nooit had bestaan.
 
Zoals ik op begraafplaats Beukenroode liep te zoeken naar een dood meisje, zo had Boudewijn misschien ook op een Wassenaarse begraafplaats tussen de versteende engelen en andere tierelantijnen naar een dood blond zoontje lopen zoeken. Wie zal het zeggen?
 
Mijn gedachten werden onderbroken doordat ik een levend wezen in het vizier kreeg.
Een tuinman stond op zijn hark geleund naast een met mos bedekte zerk.
 
'Goeien.'
'Goeien. Werkt u hier?'
'Ja, nu even niet hè. Maar normaliter wel. Ik hark het grind aan. Iemand moet het toch doen?
 
Ik knikte. Wat kon je daar nu tegenin brengen.
'Zoekt u iets?'
 
Ik keek wat ongemakkelijk om me heen en besloot toen, zonder goede reden, om de tuinman in vertrouwen te nemen.
'Ik zoek een dood meisje.'
'Doden genoeg', zei hij terwijl hij met een weids gebaar om zich heen wees. 'Maar of het meisies zijn, da's niet meer zo goed te zeggen. De doden hebben geen geslacht hè.'
 
Opnieuw verbaasde ik me over zijn woorden vol boerenwijsheid en andermaal kon ik er niets tegenin brengen.
'Maar als u een naam hebt, dat zou misschien wel helpen hè.'
Ik knikte weer, willoos haast, en keek naar mijn schoenen die half weg waren gezakt in het grind.
'Ja, dat is het hem juist, ik heb geen naam, alleen een propje papier.'
Ik haalde het papiertje tevoorschijn en liet het aan de tuinman zien.
'Dood meisje', las hij hardop voor. 'Tsja, da's een rare, daar kun je niet zoveel mee hè.'
Ik moest hem weer gelijk geven.
'Nee, nou ja, bedankt voor uw tijd.'
 
Ik stopte het papiertje weer weg en knikte ten afscheid naar de tuinman
die onveranderd op zijn hark bleef leunen. Een onbehagelijk gevoel groeide in mijn binnenste terwijl ik door het knisperende grind de begraafplaats afliep.
 
Ik had nog achtien begraafplaatsen te gaan."
 
*
bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer


deel 1 - bijzinnen, 1/100 schrijvers
Taal | boek | 05 Juni 2006 | 18:18:41
Er is een dood meisje zoek in mijn leven. Ze stond genoteerd op een propje naast mijn monitor, tussen andere propjes met notities over te lezen boeken, een typenummer van DDR Ram chips, de aansporing een afspraak met de tandarts te maken en iets onleesbaars dat leek op ‘buichaling.’
 
Ik weet niet hoe lang die propjes daar hebben gelegen. Als ik geen boot disk failure had gehad, lagen ze er nu nog. Mike van de helpdesk kon de harde schijf niet komen repareren, omdat ze de hele ochtend op virusbestrijding waren.
 
Ik had koffie gedronken en naar de knipperende cursor op het zwarte scherm gekeken. Zo begint de Matrix - maar er kwam niemand binnen om me weg te halen en een profetie te laten vervullen.
 
Toen zag ik de propjes. Een voor een vouwde ik ze open. Op een eerste stond "dood meisje" - en iets hoger een klein streepje, dus misschien stond er "dood 1 meisje," maar ik denk het niet. Snel las ik de andere propjes, maar daarbij dacht ik steeds alleen maar - o ja, dat.
 
Ooit was er een reden om "dood meisje" te noteren, maar die ben ik kwijt. Het is een vreemd idee, dat zoiets kwijt kan raken. Ik werd er niet droevig van - in mijn leven is best plek voor een dood meisje, ook als ze zoek is.
 
Aan het einde van de dag keek ik nog eens naar het propje. Ik vouwde het weer op en legde het naast de monitor. De andere propjes gooide ik weg.
 
Op weg naar huis stond de zon laag boven Moerwijk. De lucht was zo hard witgeel dat alle gebouwen in contrast nachtkleuren aannamen. De fietstocht van station HS naar huis duurde vier minuten. Ik nam vier minuten stilte in acht voor het dode meisje dat zoek was.
 
 
 
*
 
 
De virussen hadden gewonnen. Thuis las ik een mail van Mike dat om 7 uur dat alle poorten naar het internet werden afgesloten, ook mijn thuiswerkverbinding. Snel klikte ik nog langs een paar weblogs. Er waren bijna geen updates, maar het gevoel iets te gaan missen bleef. De handeling van het klikken is belangrijker dan de opbrengst. Ik ben van een jager in een grazer veranderd.
 
Een paar ogenblikken keek ik naar de leeglopende datapijp. De p2p-client telde langzaam af. Feitelijk kwam er al niets meer binnen, maar de downloadsnelheid is een voortschrijdend gemiddelde, dus het onvermijdelijke werd nog even uitgesteld.
 
De essentie van een voortschrijdend gemiddelde is de vraag welk gewicht je aan de recentste gegevens toekent. Bij een groot gewicht leef je in de waan van het moment, bij een klein gewicht in de waan van de ontkenning. Sommige mensen slagen er in beide voordelen te combineren.
 
In de vriezer vond ik nog een kliekje. De bevroren plastic doos liet niet zien wat er precies in zat. Vijftien minuten in de magnetron leken me voldoende. Ondertussen keek ik een aflevering van de Simpsons. Homer mocht zijn werk bij de kerncentrale thuis gaan doen, vanachter de computer. Het was de gelukkigste dag van zijn leven, zei hij.
 
Na het eten zat ik nog even voor het scherm, maar liet de muis uiteindelijk toch los. Ik besloot iemand te bellen - een vriend die zelden emailt.
 
"Hé, hoe gaat het," vroeg ik.
Hij vertelde dat hij probeerde iemand zijn organisatie uit te werken. Daarna vroeg hij hoe het met mij ging.
"Goed," zei ik. "Ik heb niet zoveel te melden." Een dag eerder had ik ergens gelezen dat het daarom gaat in het leven - of je iets te vertellen hebt.
Hij vroeg of ik nog een mooi verhaal had. Dat vraagt hij altijd, als afsluitingsritueel. Vooral het woordje "nog" is merkwaardig, omdat ik altijd antwoord dat me even niets te binnen schiet.
 
Nu schoot me wel iets te binnen.
"Ik ben een dood meisje kwijt," zei ik - en vertelde over het propje. "Weet jij niet wie dat kan zijn?"
"Nee." Zijn stemgeluid klonk twijfelend, maar ik wist niet wat er betwijfeld werd.
"Ik heb er een paar keer aan gedacht, vandaag. Soms had ik het gevoel dat ik het wel wist, dat het heel duidelijk was, maar dan kwam me een gezicht voor ogen dat ik niet kende. Waarschijnlijk vond ik dat een goed gezicht voor een dood meisje. Ze was blond en adelijk bleek."
"Vreemd."
"Ja."
"Er zijn genoeg dode meisjes, maar waarom zou je dat opschrijven. Bovendien verwijst het naar een specifiek meisje. En dan die 1 die er naast stond."
"Als het een 1 was."
"Hmm. Het was wel je eigen handschrift?"
"Ja."
 
Het gesprek had zijn mechanische karakter verloren. Hij klonk bezorgd. Dat maakte mij ook een beetje bezorgd. Het was geen onprettig gevoel.
 
"Ga je het uitzoeken?" vroeg hij tot slot.
"Ik weet het niet," zei ik en dacht even na. "Ik ben meer een grazer dan een jager."
"Wat?"
"Laat maar."
 
We hingen op. Het downloadgemiddelde stond nog steeds op nul. Ik moest iets anders verzinnen om deze avond tot een goed einde te brengen. Misschien dat er in de krant iets bruikbaars stond. Aan dood geen gebrek.
 
 
 
*
 
 
De boot disk failure was er nog steeds toen ik ’s ochtends terugkwam op mijn werk. Weer keek ik een poosje naar de knipperende witgrijze cursor op het zwarte scherm. De processor was vastgelopen, maar de aan-uit-aan-hartslag van de cursor suggereerde dat de zaak elk moment in beweging kon komen. Hoe langer ik naar de knipperende cursor keek, hoe reëler het voelde dat er iemand kon aankloppen die me een missie zou geven - al spreekt de missie die Neo kreeg in de Matrix, het bevrijden van de mensheid, me dan weer minder aan.
 
Goed, het geeft structuur aan je dag. Doe er nog een regelmatig telefoontje naar je ouders bij en je hebt zomaar een levensbesteding waarmee je niet al te veel opvalt bij verjaardagen.
"Wat doe jij tegenwoordig?"
"O, ik ben net begonnen met de mensheid te bevrijden. Als jouw regio wordt uitgerold, dan geef ik wel even een belletje."
"O, leuk. Verdient dat nog een beetje?"
 
Er klopte iemand aan.
Ik schrok op.
De deur ging open.
Een man en een jongen stonden in de deuropening. De man zei: "We nemen ‘m mee."  Dat bleek de computer te betreffen. De jongen kroop op handen en knieën onder mijn bureau, maakte de kabels los en tilde de kast mijn kamer uit. "Prettige dag nog verder," zei de man en hij volgde de jongen.
 
Ik vroeg me af of er dingen op de harde schijf stonden die geheim waren. Die stonden er op. Terugvragen leek me echter geen goed idee.
 
Het was tien uur en ik noteerde dat ik nu vijftien uur internetloos was - al had ik er in mijn slaap wel over gedroomd, net als over het propje dat nog steeds naast de monitor lag. Ik vouwde het open en las nog eens "dood meisje" - het riep nog steeds niets bij me op.
 
Ik stak het propje in mijn broekzak, deed de kamerdeur op slot en liep naar de bibliotheek. Naast een Indonesische student op blote voeten was nog een terminal vrij. Hij lachte wat nerveus naar me -misschien zat hij bij mij in de klas.
 
De browser opende automatisch de bibliotheekcatalogus. Die liet ik openstaan en begon mijn dagelijkse weblogrondje. Iemand schreef dat hij de achtergrondkleur van zijn site had veranderd. Op een ander blog was de afgelopen vijftien uur niets gepost. Ik kwam achtereenvolgens langs een stukje over dat alles te duur werd, een foto en een lang stukje dat ik niet las - ik kwam om te klikken, niet om te lezen. Langs het tussenschotje zag ik dat de Indonesische student zijn browser had gesloten en nu naar een lege Powerpointpresentatie zat te kijken.
 
Het catalogusvenster stond nog steeds open. In het zoekveld tikte ik "dood." De eerste treffers waren:
- Niet-natuurlijke dood in Nederland van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
- vijf jaargangen van Deductive and object-oriented databases, International Conference of DOOD. 
- De groothandel is dood. Leve de groothandel. Een branchegericht onderzoek naar de toekomst van de groothandel.
- Redefining death.
 
Voorlopige conclusie: gewoon doodgaan is er niet bij. De laatste boektitel klonk als een goocheltruc, maar dan minder onderhoudend.
 
Ik sloot geïrriteerd de browser. Het was belachelijk niet te weten waarom ik "dood meisje" had geschreven op een klein geel velletje met een nooit opdrogende plaklaag.
 
Misschien had ik gisteravond niet de rouwadvertenties moeten lezen van alle oude kranten die in het rommelkamertje lagen. Ik had nog nooit rouwadvertenties gelezen. Ze deden me denken aan de briefjes die ophangen in de supermarkt - er moet iets verkocht worden, een wervend gevoel van verdriet, maar er zijn geen kopers, alleen toeschouwers.
 
Misschien werd het tijd mijn therapeut te bellen.
Ik dacht even na over het gesprek dat ik met hem zou voeren over het dode meisje.
Hij zou het benaderen alsof het antwoord in mijzelf lag.
Dat leek me sterk. Of op zijn minst minder interessant.
Toen kreeg ik een ander idee. Goedkoper ook.
 
Ik liep naar het secretariaat en vroeg of ze een Gouden Gids hadden.
Die hadden ze.
Ik liep naar mijn kamer en bladerde naar de B.
In Den Haag bleken 19 begraafplaatsen.
Ik scheurde de pagina uit en stak die in mijn zak.
Voor de zekerheid scheurde ik ook de pagina met de mortuaria er uit.
De gids bracht ik terug naar het secretariaat. Ik zei dat ik me niet lekker voelde en naar huis zou gaan.
 
 
*
 
bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer


Home   weblog sinds: 2004-07-29

Ontwikkeld door punt.nl en gehost door mijndomein.nl