Er is een dood meisje zoek in mijn leven. Ze stond genoteerd op een propje naast mijn monitor, tussen andere propjes met notities over te lezen boeken, een typenummer van DDR Ram chips, de aansporing een afspraak met de tandarts te maken en iets onleesbaars dat leek op ‘buichaling.’
Ik weet niet hoe lang die propjes daar hebben gelegen. Als ik geen boot disk failure had gehad, lagen ze er nu nog. Mike van de helpdesk kon de harde schijf niet komen repareren, omdat ze de hele ochtend op virusbestrijding waren.
Ik had koffie gedronken en naar de knipperende cursor op het zwarte scherm gekeken. Zo begint de Matrix - maar er kwam niemand binnen om me weg te halen en een profetie te laten vervullen.
Toen zag ik de propjes. Een voor een vouwde ik ze open. Op een eerste stond "dood meisje" - en iets hoger een klein streepje, dus misschien stond er "dood 1 meisje," maar ik denk het niet. Snel las ik de andere propjes, maar daarbij dacht ik steeds alleen maar - o ja, dat.
Ooit was er een reden om "dood meisje" te noteren, maar die ben ik kwijt. Het is een vreemd idee, dat zoiets kwijt kan raken. Ik werd er niet droevig van - in mijn leven is best plek voor een dood meisje, ook als ze zoek is.
Aan het einde van de dag keek ik nog eens naar het propje. Ik vouwde het weer op en legde het naast de monitor. De andere propjes gooide ik weg.
Op weg naar huis stond de zon laag boven Moerwijk. De lucht was zo hard witgeel dat alle gebouwen in contrast nachtkleuren aannamen. De fietstocht van station HS naar huis duurde vier minuten. Ik nam vier minuten stilte in acht voor het dode meisje dat zoek was.
*
De virussen hadden gewonnen. Thuis las ik een mail van Mike dat om 7 uur dat alle poorten naar het internet werden afgesloten, ook mijn thuiswerkverbinding. Snel klikte ik nog langs een paar weblogs. Er waren bijna geen updates, maar het gevoel iets te gaan missen bleef. De handeling van het klikken is belangrijker dan de opbrengst. Ik ben van een jager in een grazer veranderd.
Een paar ogenblikken keek ik naar de leeglopende datapijp. De p2p-client telde langzaam af. Feitelijk kwam er al niets meer binnen, maar de downloadsnelheid is een voortschrijdend gemiddelde, dus het onvermijdelijke werd nog even uitgesteld.
De essentie van een voortschrijdend gemiddelde is de vraag welk gewicht je aan de recentste gegevens toekent. Bij een groot gewicht leef je in de waan van het moment, bij een klein gewicht in de waan van de ontkenning. Sommige mensen slagen er in beide voordelen te combineren.
In de vriezer vond ik nog een kliekje. De bevroren plastic doos liet niet zien wat er precies in zat. Vijftien minuten in de magnetron leken me voldoende. Ondertussen keek ik een aflevering van de Simpsons. Homer mocht zijn werk bij de kerncentrale thuis gaan doen, vanachter de computer. Het was de gelukkigste dag van zijn leven, zei hij.
Na het eten zat ik nog even voor het scherm, maar liet de muis uiteindelijk toch los. Ik besloot iemand te bellen - een vriend die zelden emailt.
"Hé, hoe gaat het," vroeg ik.
Hij vertelde dat hij probeerde iemand zijn organisatie uit te werken. Daarna vroeg hij hoe het met mij ging.
"Goed," zei ik. "Ik heb niet zoveel te melden." Een dag eerder had ik ergens gelezen dat het daarom gaat in het leven - of je iets te vertellen hebt.
Hij vroeg of ik nog een mooi verhaal had. Dat vraagt hij altijd, als afsluitingsritueel. Vooral het woordje "nog" is merkwaardig, omdat ik altijd antwoord dat me even niets te binnen schiet.
Nu schoot me wel iets te binnen.
"Ik ben een dood meisje kwijt," zei ik - en vertelde over het propje. "Weet jij niet wie dat kan zijn?"
"Nee." Zijn stemgeluid klonk twijfelend, maar ik wist niet wat er betwijfeld werd.
"Ik heb er een paar keer aan gedacht, vandaag. Soms had ik het gevoel dat ik het wel wist, dat het heel duidelijk was, maar dan kwam me een gezicht voor ogen dat ik niet kende. Waarschijnlijk vond ik dat een goed gezicht voor een dood meisje. Ze was blond en adelijk bleek."
"Vreemd."
"Ja."
"Er zijn genoeg dode meisjes, maar waarom zou je dat opschrijven. Bovendien verwijst het naar een specifiek meisje. En dan die 1 die er naast stond."
"Als het een 1 was."
"Hmm. Het was wel je eigen handschrift?"
"Ja."
Het gesprek had zijn mechanische karakter verloren. Hij klonk bezorgd. Dat maakte mij ook een beetje bezorgd. Het was geen onprettig gevoel.
"Ga je het uitzoeken?" vroeg hij tot slot.
"Ik weet het niet," zei ik en dacht even na. "Ik ben meer een grazer dan een jager."
"Wat?"
"Laat maar."
We hingen op. Het downloadgemiddelde stond nog steeds op nul. Ik moest iets anders verzinnen om deze avond tot een goed einde te brengen. Misschien dat er in de krant iets bruikbaars stond. Aan dood geen gebrek.
*
De boot disk failure was er nog steeds toen ik ’s ochtends terugkwam op mijn werk. Weer keek ik een poosje naar de knipperende witgrijze cursor op het zwarte scherm. De processor was vastgelopen, maar de aan-uit-aan-hartslag van de cursor suggereerde dat de zaak elk moment in beweging kon komen. Hoe langer ik naar de knipperende cursor keek, hoe reëler het voelde dat er iemand kon aankloppen die me een missie zou geven - al spreekt de missie die Neo kreeg in de Matrix, het bevrijden van de mensheid, me dan weer minder aan.
Goed, het geeft structuur aan je dag. Doe er nog een regelmatig telefoontje naar je ouders bij en je hebt zomaar een levensbesteding waarmee je niet al te veel opvalt bij verjaardagen.
"Wat doe jij tegenwoordig?"
"O, ik ben net begonnen met de mensheid te bevrijden. Als jouw regio wordt uitgerold, dan geef ik wel even een belletje."
"O, leuk. Verdient dat nog een beetje?"
Er klopte iemand aan.
Ik schrok op.
De deur ging open.
Een man en een jongen stonden in de deuropening. De man zei: "We nemen ‘m mee." Dat bleek de computer te betreffen. De jongen kroop op handen en knieën onder mijn bureau, maakte de kabels los en tilde de kast mijn kamer uit. "Prettige dag nog verder," zei de man en hij volgde de jongen.
Ik vroeg me af of er dingen op de harde schijf stonden die geheim waren. Die stonden er op. Terugvragen leek me echter geen goed idee.
Het was tien uur en ik noteerde dat ik nu vijftien uur internetloos was - al had ik er in mijn slaap wel over gedroomd, net als over het propje dat nog steeds naast de monitor lag. Ik vouwde het open en las nog eens "dood meisje" - het riep nog steeds niets bij me op.
Ik stak het propje in mijn broekzak, deed de kamerdeur op slot en liep naar de bibliotheek. Naast een Indonesische student op blote voeten was nog een terminal vrij. Hij lachte wat nerveus naar me -misschien zat hij bij mij in de klas.
De browser opende automatisch de bibliotheekcatalogus. Die liet ik openstaan en begon mijn dagelijkse weblogrondje. Iemand schreef dat hij de achtergrondkleur van zijn site had veranderd. Op een ander blog was de afgelopen vijftien uur niets gepost. Ik kwam achtereenvolgens langs een stukje over dat alles te duur werd, een foto en een lang stukje dat ik niet las - ik kwam om te klikken, niet om te lezen. Langs het tussenschotje zag ik dat de Indonesische student zijn browser had gesloten en nu naar een lege Powerpointpresentatie zat te kijken.
Het catalogusvenster stond nog steeds open. In het zoekveld tikte ik "dood." De eerste treffers waren:
- Niet-natuurlijke dood in Nederland van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
- vijf jaargangen van Deductive and object-oriented databases, International Conference of DOOD.
- De groothandel is dood. Leve de groothandel. Een branchegericht onderzoek naar de toekomst van de groothandel.
- Redefining death.
Voorlopige conclusie: gewoon doodgaan is er niet bij. De laatste boektitel klonk als een goocheltruc, maar dan minder onderhoudend.
Ik sloot geïrriteerd de browser. Het was belachelijk niet te weten waarom ik "dood meisje" had geschreven op een klein geel velletje met een nooit opdrogende plaklaag.
Misschien had ik gisteravond niet de rouwadvertenties moeten lezen van alle oude kranten die in het rommelkamertje lagen. Ik had nog nooit rouwadvertenties gelezen. Ze deden me denken aan de briefjes die ophangen in de supermarkt - er moet iets verkocht worden, een wervend gevoel van verdriet, maar er zijn geen kopers, alleen toeschouwers.
Misschien werd het tijd mijn therapeut te bellen.
Ik dacht even na over het gesprek dat ik met hem zou voeren over het dode meisje.
Hij zou het benaderen alsof het antwoord in mijzelf lag.
Dat leek me sterk. Of op zijn minst minder interessant.
Toen kreeg ik een ander idee. Goedkoper ook.
Ik liep naar het secretariaat en vroeg of ze een Gouden Gids hadden.
Die hadden ze.
Ik liep naar mijn kamer en bladerde naar de B.
In Den Haag bleken 19 begraafplaatsen.
Ik scheurde de pagina uit en stak die in mijn zak.
Voor de zekerheid scheurde ik ook de pagina met de mortuaria er uit.
De gids bracht ik terug naar het secretariaat. Ik zei dat ik me niet lekker voelde en naar huis zou gaan.
*